Wijzigingen in de belastingheffing 2012: Belastingen, tarieven, premies en uitkeringen per 1 januari 2012

Geplaatst op jan 2, 2012 in BTW, Erfbelasting, inkomstenbelasting, Loonbelasting, Nieuws, Schenkbelasting, Vennootschapsbelasting

Wijzigingen in de belastingheffing 2012: Belastingen, tarieven, premies en uitkeringen per 1 januari 2012

Per 1 januari 2012 zijn de belastingtarieven gewijzigd. In het eindejaarsbericht van het ministerie van Financiën staan de belangrijkste (cijfermatige) wijzigingen in de rijksbelastingen per 1 januari 2012, welke we hieronder hebben overgenomen.

Dit eindejaarsbericht telt negen hoofdstukken:

1.       Inkomstenbelasting
2.       Loonbelasting
3.       Afdrachtverminderingen loonbelasting
4.       Schenk- en erfbelasting
5.       Belastingen op milieugrondslag
6.       Autobelastingen
7.       Vennootschapsbelasting
8.       BTW en accijns
9.       Overige

De inflatiecorrectie voor 2012 leidt tot een bijstelling van de daarvoor in aanmerking komende bedragen met 1,7%.

(NB: helaas konden wij niet alle tabellen netjes overnemen, u kunt het originele bestand hier in pdf downloaden.)

1. Inkomstenbelasting

1.1 Tarieven

1.1.1 Tarief Box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning)

2012

2011

* inclusief houdbaarheidsbijdrage

Premiepercentages volksverzekeringen

* houdbaarheidsbijdrage

De houdbaarheidsbijdrage is ingevoerd per 1 januari 2011. Door deze maatregel wordt de tweede tariefschijf jaarlijks nog maar met 75% van de inflatie aangepast, waardoor mensen sneller in de derde tariefschijf vallen. De regeling geldt voor mensen die geboren zijn vanaf 1 januari 1946.

1.1.2 Tarief Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang)

Het tarief voor de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang bedraagt 25%. Het tarief is niet gewijzigd.

1.1.3 Tarief Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen)

Het tarief van de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 30% en is niet gewijzigd. Het forfaitaire rendement is ongewijzigd en bedraagt 4% van de grondslag sparen en beleggen. Het tarief komt dan per saldo neer op 1,2% belasting over de grondslag sparen en beleggen.

1.2 Heffingskortingen

1.2.1 Bedragen heffingskortingen

* van de vrijstelling in box 3

1.2.2 Algemene heffingskorting

Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners hebben allebei recht op deze heffingskorting. Als één van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Voorwaarde voor uitbetaling is dat de partner van de belastingplichtige voldoende inkomen heeft en daarbij voldoende belasting betaalt. Deze uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt afgebouwd in 15 jaar tijd met 6,67% per jaar. De afbouw is gestart in 2009. Dit betekent dat er in 2012 ten hoogste € 1.491 (73,33%) van de algemene heffingskorting wordt uitbetaald aan de minstverdienende partner.

De beperking van de uitbetaling geldt niet indien de belastingplichtige die zijn heffingskorting niet volledig gebruikt geboren is voor 1-1-1963. Voor deze groep blijft mits ook aan de andere voorwaarden is voldaan de uitbetaling voor 100% gehandhaafd. In 2011 gold deze uitzondering nog indien de belastingplichtige geboren is voor 1-1-1972 of indien er in het huishouden kinderen van 5 jaar of jonger aanwezig zijn. In 2012, 2013 en 2014 worden deze uitzonderingen stapsgewijs afgeschaft. Dit betekent dat in 2012 ten hoogste € 1.762 (86,67%) van de algemene heffingskorting wordt uitbetaald aan de minstverdiende partner als die tussen 1-1-1963 en 1-1-1972 geboren is of als er in het huishouden kinderen van 5 jaar of jonger aanwezig zijn.

1.2.3 Arbeidskorting

Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij één van de volgende inkomsten heeft: loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Die inkomsten moeten met tegenwoordige arbeid worden genoten. Zie voor de nieuwe maximumbedragen van de arbeidskorting voor 2012 de overzichtstabel. De hoogte van arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (het arbeidsinkomen) en het maximum van de arbeidskorting. De verhoging van de arbeidskorting voor ouderen vanaf 57 jaar komt te vervallen vanaf 1 januari 2012.

1.2.4 Inkomensafhankelijke combinatiekorting

De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor minstverdienende partners en alleenstaande ouders die de zorg hebben voor kinderen onder de 12 jaar. Het basisbedrag van deze heffingskorting is € 1.024 (€ 780) indien met werken een arbeidsinkomen van minimaal € 4.814 (€ 4.734) wordt verdiend of indien er recht bestaat op de zelfstandigenaftrek. Voor elke euro die meer wordt verdiend dan € 4.814 (€ 4.734) loopt de inkomensafhankelijke combinatiekorting met 4% (3,8%) op tot maximaal € 2.133 (€ 1.871). Dit maximale bedrag wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 32.539 (€ 33.444).

1.2.5 Alleenstaande-ouderkorting

Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in 2012 meer dan zes maanden:

geen partner heeft;

een huishouding voert met een kind dat hij/zij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres ingeschreven staat;

deze huishouding voert met minimaal één kind dat op 1 januari 2012 de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

De hoogte van de alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 947 (€ 931). Dit bedrag wordt vermeerderd met 4,3% van het arbeidsinkomen, maar maximaal met €1.319 (€ 1.523) indien het kind bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt. Het arbeidsinkomen is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.

1.2.6 Jonggehandicaptenkorting

De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 708 (€ 696) en geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Belastingplichtigen komen ook voor de jonggehandicaptenkorting in aanmerking, indien weliswaar recht bestaat op een Wajonguitkering, maar niet daadwerkelijk een Wajonguitkering wordt ontvangen vanwege het hebben van een andere uitkering of ander inkomen uit arbeid.

1.2.7 Ouderenkorting

Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2012 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 35.450 (€ 34.857). De ouderenkorting bedraagt € 762 (€ 739).

1.2.8 Alleenstaande ouderenkorting

Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande ouderenkorting als hij recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden. De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 429 (€ 421).

1.2.9 Doorwerkbonus

De doorwerkbonus motiveert belastingplichtigen om door te blijven werken vanaf het jaar waarin zij 62 worden. Mensen die in een jaar 62 worden en werken, ontvangen deze doorwerkbonus die als heffingskorting via de aanslag inkomstenbelasting wordt toegekend. De doorwerkbonus loopt ook door na de 65-jarige leeftijd. De hoogte van de bonus loopt tot 65 jaar met de leeftijd en met het inkomen uit arbeid op. De hoogte van de doorwerkbonus wordt berekend door een leeftijdsafhankelijk percentage (zie overzichtstabel) toe te passen op het arbeidsinkomen tussen € 9.295 en € 57.166 (€ 9.209 en € 56.280).

1.2.10 Levensloopverlofkorting

De levensloopverlofkorting vervalt per 1 januari 2012. Dat komt omdat de levensloopregeling per die datum is afgeschaft. De in het verleden opgebouwde levensloopverlofkorting blijft in tact voor deelnemers die op 31 december 2011 een positief saldo op hun levensloopregeling hebben staan. Deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een saldo van minimaal € 3.000 hebben staan, kunnen met de levensloopregeling doorgaan. Bij een nieuwe inleg wordt geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd.

De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag van het opgenomen levenslooptegoed, maar ten hoogste € 205 (€ 201) per jaar waarin is gestort in de levensloopregeling. Bedragen aan levensloopverlofkorting die in voorafgaande jaren al zijn genoten worden in mindering gebracht.

1.2.11 Ouderschapsverlofkorting

De ouderschapsverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in 2012 gebruik maakt van zijn wettelijke recht op ouderschapsverlof. De korting wordt berekend door het aantal uren ouderschapsverlof in het kalenderjaar te vermenigvuldigen met een bedrag van 50% van het bruto minimumuurloon per opgenomen verlofuur en bedraagt voor 2012 € 4,18 (€ 4,11) per verlofuur. De korting bedraagt niet meer dan de terugval in het belastbare loon in 2012 ten opzichte van 2011.

1.2.12 Korting voor maatschappelijke beleggingen

Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in maatschappelijke beleggingen (groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen). De korting bedraagt in 2012 0,7% van het bedrag dat daarvoor is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3. De korting wordt in stappen afgebouwd naar 0%: voor het jaar 2012 wordt deze korting verlaagd van 1,0% (2011) naar 0,7%, voor het jaar 2013 van 0,7% naar 0,4%. Met ingang van het jaar 2014 komt deze heffingskorting in het geheel te vervallen.

1.2.13 Korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen

Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in direct durfkapitaal en in culturele beleggingen. De korting bedraagt in 2012 0,7% van het bedrag dat daarvoor is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3. De korting wordt in stappen afgebouwd naar 0%: voor het jaar 2012 van 1,0% naar 0,7%, voor het jaar 2013 van 0,7% naar 0,4%. Met ingang van het jaar 2014 komt deze heffingskorting in het geheel te vervallen.

1.3 Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting

De aanslaggrens voor de inkomstenbelasting is in 2012 € 45 (€ 44). Alleen als het verschil tussen de verschuldigde inkomstenbelasting en het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven meer bedraagt dan € 45 (€ 44) volgt een aanslag.

1.4 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen

De grens voor teruggaaf op verzoek, op grond van te veel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekering over het belastingjaar 2012 blijft € 14 (€ 14). Naast de voorheffingen moeten ook in aanmerking worden genomen de voorlopige teruggaven (gezamenlijk genoemd: voorheffingssaldo). Als dit voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet of met niet meer dan € 14 (€ 14) overtreft, dan volgt geen aanslag.

1.5 Reisaftrek

Voor het regelmatig woon-werkverkeer met het openbaar vervoer kan de reisaftrek van toepassing zijn. Voor deze aftrek gelden een aantal voorwaarden:

De belastingplichtige moet beschikken over een openbaarvervoerverklaring of een reisverklaring;

De per openbaar vervoer afgelegde enkele reisafstand moet meer dan 10 kilometer bedragen;

De belastingplichtige moet regelmatig (doorgaans minimaal één keer per week of minimaal 40 dagen in 2012) tussen zijn woning en zijn werkplek heen en weer reizen per openbaar vervoer.

Reiskosten openbaar vervoer

Voor de belastingplichtige die op drie, twee of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden reist per openbaar vervoer, bedraagt het aftrekbedrag indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag. Als de enkele reisafstand groter is dan 90 kilometer: € 0,23 (€ 0,22) per kilometer vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar maximaal € 2.036 (€ 2.001).

1.6 Eigen woning

1.6.1 Eigenwoningforfait

Het forfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning bedraagt:

2012

2011

Voor de periode van het eigenwoningforfait wordt aangesloten bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Bij tijdelijke verhuur wordt het eigenwoningforfait berekend over het hele kalenderjaar en is 70% van de huurinkomsten belast.

1.6.2 Kapitaalverzekering eigen woning en spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning

Het rentevoordeel begrepen in de uitkeringen uit een kapitaalverzekering eigen woning en een spaarrekening eigen woning tezamen is onbelast als de uitkering niet meer bedraagt dan:

€ 34.900 (€ 34.300) bij 15 tot en met 19 jaar premiebetaling;

€ 154.000 (€ 151.000) bij 20 jaar of langer premiebetaling.

De totale vrijstelling kan nooit meer bedragen dan € 154.000 (€ 151.500) per belastingplichtige gedurende zijn leven.

1.6.3 Kamerverhuurvrijstelling

De vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2012 € 4.410 (€ 4.333).

1.6.4 Verhuisregeling hypotheekrenteaftrek

De maximale termijn voor behoud van hypotheekrenteaftrek bij verkoop van de voormalige eigen woning is drie jaar. Die termijn geldt nog voor het belastingjaar 2012. Dit betekent dat als de woning in 2009 te koop is gezet, voor die woning nog recht op hypotheekrenteaftrek bestaat in 2012.

De maximale termijn voor het verkrijgen van hypotheekrenteaftrek voor de nog leegstaande toekomstige eigen woning (bijvoorbeeld in aanbouw) is ook drie jaar. Ook dat geldt voor het belastingjaar 2012. Dit betekent dat in 2012 recht op hypotheekrenteaftrek bestaat voor een leegstaande woning die uiterlijk in 2015 de eigen woning (hoofdverblijf) zal worden.

1.6.5 Herleven hypotheekrenteaftrek voormalige eigen woning na tijdelijke verhuur

Sinds 1 januari 2010 kan de hypotheekrenteaftrek voor de te koop staande voormalige eigen woning herleven na een periode van tijdelijke verhuur. De hypotheekrente kan na de verhuur nog worden afgetrokken tot maximaal de resterende termijn van de verhuisregeling (zie 1.6.4). Dat de hypotheekrenteaftrek kan herleven na tijdelijke verhuur van de voormalige eigen woning geldt tot en met het jaar 2012.

1.7 Regeling specifieke zorgkosten

Binnen de regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten komen de volgende kosten voor aftrek in aanmerking, mits deze kosten voortkomen uit ziekte of invaliditeit:

genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen;

vervoer;

medicijnen verstrekt op voorschrift van een arts;

overige hulpmiddelen, met uitzondering van visuele hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;

extra gezinshulp;

dieetkosten (voor zover opgenomen in dieetkostentabel; sinds 2010 mag de dieetverklaring ook door een diëtist zijn afgegeven);

extra kleding en beddengoed;

reiskosten ziekenbezoek (bij reizen per auto, anders dan per taxi, € 0,19 per kilometer).

Onder genees- en heelkundige hulp wordt verstaan:

een behandeling door een arts,

een behandeling door een paramedicus op voorschrift en onder begeleiding van een arts of

een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus.

De regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten kent een vermenigvuldigingsfactor voor de hiervoor genoemde aftrekposten met uitzondering van de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. De vermenigvuldigingsfactor is van toepassing wanneer het drempelinkomen niet meer bedraagt dan € 34.055 (€ 33.485). De vermenigvuldigingsfactor bedraagt 2,13 voor personen van 65 jaar en ouder. Voor personen jonger dan 65 jaar is de vermenigvuldigingsfactor in 2012 1,40. Dit hangt samen met het feit dat personen jonger dan 65 jaar vanwege een hoger marginaal tarief dan personen ouder dan 65 jaar een hogere belastingteruggaaf krijgen.

Uitgaven voor specifieke zorgkosten komen slechts voor aftrek in aanmerking voor zover deze boven bepaalde inkomensdrempels komen.

De drempels zijn als volgt voor 2012

De drempels zijn als volgt voor 2011

1.8 Aftrek levensonderhoud voor kinderen

De leeftijdsgrens voor de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen is per 1 januari 2012 verlaagd van 30 jaar naar 21 jaar. Deze uitgaven zijn aftrekbaar als voor het kind geen recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het kind geen recht heeft op studiefinanciering of een met AKW of studiefinanciering vergelijkbare regeling. Als de kosten in belangrijke mate drukken op de belastingplichtige, komen deze voor aftrek in aanmerking tot een bedrag van:

€ 295 (€ 290) per kalenderkwartaal indien het kind jonger is dan 6 jaar;

€ 355 (€ 350) per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12 jaar is;

€ 415 (€ 410) per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18 jaar is;

€ 355 (€ 350) per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.

De kosten van het onderhoud van een kind worden geacht in belangrijke mate op de belastingplichtige te drukken, indien de op de belastingplichtige drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind tenminste € 408 (€ 408) per kwartaal beloopt.

Het bedrag vermeld onder d. wordt verhoogd tot € 710 (€ 700) indien de kosten van het levensonderhoud grotendeels (voor meer dan 50%) op de belastingplichtige drukken en de kosten van de belastingplichtige voor het kind tenminste € 710 (€ 700) bedroegen. Indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, wordt het bedrag onder d. vermeld verhoogd tot € 1.065 (€ 1.050) indien deze kosten geheel (100%) of nagenoeg geheel (90% of meer) op de belastingplichtige drukken en de kosten van belastingplichtige voor het kind tenminste € 1.065 (€ 1.050) bedroegen.

Als belastingplichtige het gehele jaar een fiscale partner heeft of een deel van het jaar een partner heeft maar wel kiest voor het gehele jaar fiscaal partnerschap en beiden doen uitgaven voor levensonderhoud voor een kind jonger dan 21 jaar, worden deze uitgaven samengevoegd. Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de helft als beiden uitgaven voor levensonderhoud van een kind in aanmerking nemen.

Er bestaat geen aanspraak op aftrek uitgaven levensonderhoud als het recht op kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen.

1.9 Weekenduitgaven gehandicapten

De leeftijdsgrens voor de weekenduitgaven voor gehandicapten is per 1 januari 2012 verlaagd van 27 naar 21 jaar. Als de belastingplichtige een ernstig gehandicapt kind, broer of zus van 21 jaar of ouder die doorgaans in een AWBZ-instelling verblijft thuis verzorgt, heeft hij recht op een aftrekpost. Ook een mentor als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek kan voor de aftrek in aanmerking komen. De volgende bedragen komen voor aftrek in aanmerking:

€ 10 (€ 10) per dag van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige;

€  0,19 (€ 0,19) per kilometer voor het vervoer van de gehandicapte per auto door de belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft.

Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft als beiden weekenduitgaven gehandicapten in aanmerking nemen. Uitgaven die in aanmerking zijn genomen als weekenduitgaven voor gehandicapten kunnen niet tevens in aanmerking worden genomen als uitgaven voor levensonderhoud voor kinderen.

1.10 Scholingsuitgaven

Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door belastingplichtige zelf volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Voor de aftrek van de uitgaven geldt een drempel van € 500 en een maximum van € 15.000. Ook uitgaven van de belastingplichtige voor het volgen van een procedure Erkenning Verworven Competenties, waarvoor een verklaring is afgegeven door een instantie die is aangeduid bij ministeriële regeling, vallen onder de scholingsuitgaven.

1.11 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Premies voor lijfrenten en bedragen betaald voor een lijfrentespaarrekening of beleggingsrecht zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek, gelden vervolgens voor de hoogte van de premieaftrek, de volgende regels:

Betaalde bedragen zijn aftrekbaar voor zover belastingplichtige een pensioentekort heeft en jonger is dan 65 jaar. De hoogte van het aftrekbare bedrag moet bepaald worden aan de hand van de jaarruimte of reserveringsruimte. Bij de berekening van de jaarruimte zijn het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend;

De jaarruimte bedraagt maximaal € 27.618 (€ 27.156). De reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek ten hoogste 17% van de premiegrondslag met een maximum van € 6.989 (€ 6.872). Voor belastingplichtigen die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, wordt het maximumbedrag van € 6.989 (€ 6.872) verhoogd tot € 13.802 (€ 13.571).

Premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en premies van lijfrenten voor meerderjarige invalide (klein)kinderen zijn niet gebonden aan een maximaal aftrekbedrag.

De maximale premiegrondslag is voor 2012 € 162.457 (€ 159.741). De in te bouwen AOW- franchise bij de berekening van de jaarruimte is € 11.829 (€ 11.631). Voor tijdelijke oudedagslijfrenten is het maximale bedrag van de jaaruitkering in 2012 € 20.953 (€ 20.602).

Er is geldt een fiscaalverzachtende afkoopregeling voor lijfrenteverzekeringen met een waarde in het economische verkeer van maximaal € 4.242 (€ 4.171). De afkoop van een dergelijke “kleine lijfrente” wordt alleen in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. De berekening van de revisierente die normaliter verschuldigd is blijft hierbij achterwege.

1.12 Giftenaftrek

Giften zijn aftrekbaar als zij zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (ANBI). Aftrek is alleen mogelijk als de bedoelde instellingen door de Belastingdienst als ANBI zijn aangemerkt. Vereist wordt dat de instelling is gevestigd in lidstaten van de EU, de Nederlandse Antillen, Aruba of een aangewezen mogendheid. De lijst met aangewezen instellingen is te vinden op www.belastingdienst.nl.

Periodieke giften zijn volledig aftrekbaar, zonder drempel en plafond. Deze giften moeten wel in een bij de notaris opgemaakte akte zijn vastgelegd voor een periode van ten minste 5 jaar.

Voor giften die niet in de vorm van periodieke uitkeringen zijn gedaan (de zogenaamde andere giften) geldt een drempel van € 60 of, als dat meer is, 1% van het verzamelinkomen (vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek). Tevens geldt voor deze andere giften een maximum van 10% van dat inkomen. Bij partners geldt dat zij hun andere giften en hun verzamelinkomens moeten samenvoegen.

Giften die de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden in aanmerking genomen voor € 0,19 (€ 0,19) per kilometer. Het afzien van een kostenvergoeding, bijvoorbeeld door een vrijwilliger, kan onder voorwaarden worden aangemerkt als aftrekbare gift. Deze voorwaarden zijn per 1 januari 2012 opgenomen in de wet.

Vanaf 2012 zijn er een aantal wijzigingen in de giftenaftrek:

Een gift aan een ANBI die is aangemerkt als culturele instelling kan in aanmerking worden genomen voor 1,25 keer het bedrag van de gedane gift. Deze extra aftrek wordt toegepast over maximaal € 5.000 van de aan culturele instellingen gedane giften.

Eenmalige giften aan een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (SBBI) zijn onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomstenbelasting. Voorbeelden van SBBIs zijn muziekverenigingen, sportverenigingen, buurthuizen, ouderenverenigingen en scoutinggroepen.

Als een herroepelijke giften wordt herroepen, wordt deze bij het inkomen opgeteld als voor deze gift eerder giftenaftrek is genoten.

1.13 Aftrek uitgaven monumentenpanden

Per 1 januari 2012 zijn er een aantal wijzigingen in de aftrek van kosten voor monumentenpanden.

Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen monumenten die als eigen woning worden belast in box 1 en monumenten die als overig vermogen worden belast in box 3 (overige monumentenpanden).

De drempels die nu nog gelden om voor aftrek in aanmerking te komen, worden afgeschaft.

De mogelijkheid tot aftrek van afschrijvingen en lasten vervalt.

De onderhoudskosten zijn (na aftrek van eventuele subsidies) voor 80% aftrekbaar.

Er geldt een overgangsregeling voor 2012 en 2013. Als kan worden aangetoond dat er vóór 1 januari 2012 onherroepelijke betalingsverplichtingen zijn aangegaan, waarvan de betaling pas in 2012 of 2013 wordt gedaan, kan alleen voor de onderhoudskosten voor de betalingen die hier uit voortvloeien nog een beroep worden gedaan op de oude regeling. De onderhoudskosten zijn dan voor 100% aftrekbaar, rekening houdend met de drempel. De drempel bedraagt 0,8% van de WOZ-waarde als het monument een eigen woning is. In andere gevallen is de drempel dan 4% van de WOZ-waarde.

1.14 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal

Voor beleggingen in durfkapitaal bestaat een vrijstelling in box 3 (zie ook onderdeel 1.24.6; vrijstelling beleggingen in durfkapitaal) en een heffingskorting (zie onderdeel 1.3.1). Naast deze twee faciliteiten bestaat nog een derde faciliteit voor directe beleggingen in durfkapitaal, namelijk de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal. Een bedrag dat door de schuldeiser binnen 8 jaar na het verstrekken van de geldlening aan een beginnende ondernemer niet meer voor verwezenlijking vatbaar is en dat wordt afgeschreven, kan tot een bedrag van € 46.984 per beginnende ondernemer waaraan is geleend, in aanmerking worden genomen als persoonsgebonden aftrekpost.

Deze persoonsgebonden aftrekpost is vanaf 1 januari 2011 vervallen, maar voor leningen die voor 1 januari 2011 zijn verstrekt blijft de aftrek mogelijk. Indien een nagekomen terugbetaling komt op een afgeschreven lening en daarvoor aftrek is toegestaan, wordt ook nog na 1 januari 2011 de persoonsgebonden aftrek in zoverre teruggenomen.

1.15 Willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil)

De Vamil biedt de mogelijkheid de investeringskosten willekeurig af te schrijven en geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu). De Vamil is voor de jaren 2011 tot en met 2013 tijdelijk verlaagd van 100% naar 75%. De overige 25% volgt het reguliere afschrijfregime. Vanaf 2014 zal vervolgens weer 100% versneld kunnen worden afgeschreven. Per bedrijfsmiddel kan niet meer dan € 25 miljoen willekeurig worden afgeschreven.

1.16 Investeringsaftrek

De belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de afschrijvingen) in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag van de winst aftrekken, de zogenoemde investeringsaftrek. Deze aftrek kan de vorm hebben van een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, een energie-investeringsaftrek, een milieu- investeringsaftrek of een Research en Development Aftrek.

1.16.1 Kleinschaligheidsinvesteringaftrek (KIA)

De KIA is bedoeld om investeringen van een beperkte omvang te bevorderen en is hierdoor vooral gericht op het midden- en kleinbedrijf. Ook zeer zuinige personenauto’s, waaronder elektrische personenauto’s, komen in aanmerking voor de KIA. De belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in bedrijfsmiddelen, kan een bedrag dat volgt uit de tabel van de winst over dat jaar aftrekken.

2012

2011

Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.

1.16.2 Energie-investeringsaftrek (EIA)

De EIA geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Energielijst (investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie). Hieronder kunnen ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen tevens worden begrepen de kosten van een advies dat (mede) op die investering betrekking heeft.

In 2012 en 2013 is het tarief voor de EIA 41,5%. Vanaf 2014 zal het tarief vervolgens weer 44% bedragen. De EIA is van toepassing bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.300 (€ 2.200). Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen € 118.000.000 (€ 116.000.000). Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.

Investeringen kunnen voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) als de EIA in aanmerking komen. Heeft de ondernemer gekozen voor de milieu-investeringsaftrek (MIA), dan komt de investering niet tevens in aanmerking voor de EIA.

1.16.3 Milieu-investeringsaftrek (MIA)

De MIA geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu). Hieronder kunnen tevens worden begrepen de kosten van een milieuadvies. De MIA is voor de jaren 2012 en 2013:

voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 36%;

voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 27%, en;

voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 13,5%.

Vanaf 2014 worden de tarieven verhoogd tot 40% respectievelijk 30% en 15%. De MIA is van toepassing bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.300 (€ 2.200). Per bedrijfsmiddelen kan niet meer dan € 25 miljoen in aanmerking worden genomen.

Investeringen kunnen voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) als de MIA in aanmerking komen. Heeft de ondernemer gekozen voor de energie-investeringsaftrek (EIA), dan komt de investering niet tevens in aanmerking voor de MIA.

1.16.4 Desinvesteringsbijtelling

Een ondernemer die in een jaar bedrijfsmiddelen van de hand doet (desinvesteert) waarin hij binnen vijf jaar daarvoor heeft geïnvesteerd, moet, als hij met die desinvestering een bepaalde drempel overschrijdt, een bedrag aan de winst toevoegen gelijk aan het destijds genoten investeringsaftrekpercentage over het bedrag van de desinvestering. Daarbij kan de desinvesteringsbijtelling niet hoger zijn dan de destijds genoten investeringsaftrek. De desinvesteringsdrempel is voor 2012 vastgesteld op € 2.300 (€ 2.200).

1.16.5 Research en Development Aftrek (RDA)

De RDA moet het voor ondernemers nog aantrekkelijker maken speur- en ontwikkelingswerk (S&O) uit te voeren. Voor de S&O-werkzaamheden die ondernemers verrichten in hun eigen onderneming krijgen zij reeds de aftrek speur- en ontwikkelingswerk. De loonkosten van eventuele werknemers die S&O verrichten worden gefacilieerd via de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk. De RDA is gericht op de S&O-uitgaven van ondernemers die niet zien op arbeid, bijvoorbeeld investeringen in apparatuur en materialen. De RDA wordt als extra aftrekpost in aanmerking genomen bij de fiscale winstbepaling. De aftrek bedraagt in 2012 40% van de door Agentschap NL vastgestelde kosten en uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan S&O dat is erkend in een S&O-verklaring.

1.17 Ondernemersaftrek

De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van: de zelfstandigenaftrek;

de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk;

de meewerkaftrek;

de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en

de stakingsaftrek.

1.17.1 Zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. Met ingang van 1 januari 2012 is de zelfstandigenaftrek een vast bedrag. Het is nu niet meer afhankelijk van de hoogte van de winst. De zelfstandigenaftrek voor 2012 bedraagt € 7.280.

Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2.123 (€ 2.123) (startersaftrek). De zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt bedraagt 50% van de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.

De zelfstandigenaftrek voor niet-starters kan niet meer verrekend worden met ander box 1- inkomen, zoals loon of een VUT-uitkering. Als dit tot gevolg heeft dat (een deel van) de zelfstandigenaftrek niet kan worden verrekend, wordt de niet verrekende zelfstandigenaftrek maximaal negen jaar voortgewenteld om in een toekomstig jaar alsnog te verrekenen met winst. Voor starters verandert er niets. Startende ondernemers kunnen de zelfstandigenaftrek (inclusief de startersaftrek) gedurende drie jaar dus nog wel verrekenen met ander box 1- inkomen. Daarnaast blijft voor starters ten aanzien van de zelfstandigenaftrek de reguliere verrekening over de jaren heen gelden.

1.17.2 Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat door Agentschap NL bij een S&O-verklaring is aangemerkt als S&O. De S&O aftrek bedraagt € 12.310 (€ 12.104).

Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk is toegepast, wordt de aftrek speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 6.157 (€ 6.054) (aanvullende S&O-aftrek starters).

1.17.3 Meewerkaftrek

De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

1.17.4 Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid is voor de ondernemer die een onderneming vanuit een arbeidsongeschiktheidsuitkering start en niet aan het urencriterium voldoet maar wel aan een verlaagd urencriterium van 800 uur.

De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid bedraagt € 12.000, € 8.000 en € 4.000 voor het eerste, tweede, respectievelijk derde jaar. De aftrek kan niet hoger zijn dan de genoten winst.

1.17.5 Stakingsaftrek

De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die in het kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van één of meer gehele ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet en bedraagt € 3.630 eenmaal per leven.

1.18 MKB-winstvrijstelling

De MKB-winstvrijstelling bedraagt 12% van de winst na toepassing van de ondernemersaftrek. De MKB-winstvrijstelling stelt een vast percentage van de winst vrij van belasting.

1.19 Oudedagsreserve

De ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve. Dit betekent dat hij elk jaar een bepaald bedrag als aftrekpost ten laste van de winst mag brengen. De toevoeging aan de oudedagsreserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst, maar niet meer dan € 9.542 (€ 11.882).

Deze toevoeging wordt verminderd met de ten laste van de winst gekomen pensioenpremies. De toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.

1.20 Extra lijfrentepremieaftrek bij stakende ondernemers

De extra ruimte aan lijfrentepremieaftrek bij ondernemers die hun onderneming of een gedeelte van hun onderneming staken bedraagt maximaal:

Bij de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek is het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend. Ondernemers mogen in het jaar dat zij (een deel van) hun onderneming staken op verzoek daarvan afwijken en bij de berekening van de lijfrentepremieaftrek ervoor kiezen om de gegevens van het kalenderjaar zelf te gebruiken. In het opvolgende kalenderjaar, waarin weer uitgegaan moet worden van de gegevens van het voorafgaande kalenderjaar, mag de stakingwinst niet nogmaals bij de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek in aanmerking worden genomen.

1.21 Box 3

1.21.1 Eén peildatum

Vanaf 2011 wordt de rendementsgrondslag gepeild op 1 januari van het kalenderjaar.

1.21.2 Heffingvrij vermogen

Bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft een belastingplichtige recht op een heffingvrij vermogen van € 21.139 (€ 20.785). De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van partners (zijnde de gezamenlijke rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het gezamenlijke heffingvrije vermogen) kan tussen partners in elke gewenste verhouding worden toebedeeld.

1.21.3 Toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen

De toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen vervalt met ingang van 1 januari 2012. Voor 2011 bedroeg deze toeslag € 2.779.

1.21.4 Ouderentoeslag

Het heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden verhoogd met de ouderentoeslag. Om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag moet men op 31 december 2012 65 jaar of ouder zijn. De hoogte van de ouderentoeslag wordt als volgt berekend:

Bij een inkomen uit werk en woning (vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek) van:

2012

2011

Om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag mag de grondslag sparen en beleggen (zijnde de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen) voor toepassing van de ouderentoeslag niet meer bedragen dan € 279.708 (€ 275.032).

Als de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft dan mag de gezamenlijke rendementsgrondslag (na aftrek van het heffingvrije vermogen) niet meer bedragen dan € 559.416 (€ 550.064) om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag.

1.21.5 Vrijstelling maatschappelijke beleggingen

Van de vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van € 56.420 (€ 55.476). Maatschappelijke beleggingen zijn beleggingen in fiscaal erkende groene of sociaal-ethische fondsen. Indien de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft dan geldt een gezamenlijke vrijstelling voor maatschappelijke beleggingen van € 112.840 (€ 110.952).

1.21.6 Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal en cultureel beleggen

Van de vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld, beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 56.420 (€ 55.476). Beleggingen in durfkapitaal zijn beleggingen in fiscaal erkende durfkapitaalfondsen (indirecte beleggingen) en bepaalde leningen aan startende ondernemers (directe beleggingen). De culturele beleggingen worden ook tot de beleggingen in durfkapitaal gerekend. Indien de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft dan geldt een gezamenlijke vrijstelling voor beleggingen in durfkapitaal van € 112.840 (€ 110.952).

1.21.7 Vrijstelling spaarloonregeling

De spaarloonregeling is vervallen per 1 januari 2012. Er geldt een overgangsregeling, zie paragraaf 2.1.1.

1.21.8 Vrijstelling voor een uitvaartverzekering

De vrijstelling voor een uitvaartverzekering of een andere overlijdensrisicoverzekering in box 3 bedraagt € 6.859 (€ 6.744). Deze vrijstelling geldt ook voor de bankspaarvariant, waarbij mensen op een geblokkeerde bankrekening genoemd bedrag kunnen sparen voor de uitvaart.

1.21.9 Kapitaaluitkering uit levensverzekering; overgangsrecht

Voor op 14 september 1999 al bestaande kapitaalverzekeringen kan onder voorwaarden een vrijstelling van maximaal € 123.428 van toepassing zijn. Indien de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft, dan geldt een gezamenlijke vrijstelling van € 246.856.

1.21.10 Schulden

Voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen worden schulden in aanmerking genomen voor zover de gezamenlijke waarde meer bedraagt dan € 2.900 (€ 2.900). Als de belastingplichtige het hele jaar dezelfde partner heeft, geldt een schuldendrempel van € 5.800 (€ 5.800) voor de belastingplichtige en diens partner samen.

1.21.11 Vrijstelling contant geld

Er geldt een vrijstelling voor contant geld en vergelijkbare vermogensrechten (zoals een chipkaart en cadeaubonnen) van € 512 (€ 503) per belastingplichtige en € 1.024 (€ 1.006) voor partners.

2 Loonbelasting

2.1 Spaarloon en levensloopregeling

Per 1 januari 2012 vervallen de spaarloonregeling en de levensloopregeling. Voor beide regelingen geldt overgangsrecht. Per 1 januari 2013 wordt een nieuwe spaarfaciliteit ingevoerd, het vitaliteitssparen.

2.1.1 Overgangsrecht spaarloonregeling per 1 januari 2012

Vanaf 1 januari 2012 kan het hele tegoed van de spaarloonregeling belastingvrij worden opgenomen. Maar men kan er ook voor kiezen het tegoed op de spaarloonrekening te laten staan om gebruik te kunnen blijven maken van de vrijstelling in box 3. Elk jaar blijft dan een deel van het spaartegoed vrijvallen. Op dat deel is dan niet langer de vrijstelling van box 3 van toepassing. Voor het deel van het spaarloon dat op de spaarloonrekening blijft staan met uitzondering van het vrijgevallen tegoed blijft de vrijstelling van box 3 gelden tot 1 januari 2016.

2.1.2 Overgangsrecht levensloopregeling per 1 januari 2012

Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. De levensloopregeling wordt vanaf 2012 nog opengehouden voor deelnemers die op 31 december 2011 een saldo op hun levensloopregeling hebben staan. Deelnemers met een saldo minder dan € 3.000 kunnen in 2012 en 2013 niet meer bijstorten, overige deelnemers kunnen dat wel. Bij de inleg wordt geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd.

Vanaf het jaar 2014 kunnen alleen nog deelnemers die op 31 december 2011 € 3.000 of meer hebben opgebouwd, gebruikmaken van de levensloopregeling totdat zij de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt of met pensioen zijn gegaan.

Alle deelnemers aan de levensloopregeling kunnen in het jaar 2013 hun levenslooptegoed zonder belastingheffing omzetten in vitaliteitssparen. Van de deelnemers die op 31 december 2011 minder dan € 3.000 hebben opgebouwd en in het jaar 2013 het tegoed niet omzetten in vitaliteitssparen, wordt het levenslooptegoed op 31 december 2013 belast als loon.

Vanaf het jaar 2014 kan er alleen nog circa € 20.000 uit levensloop zonder belastingheffing worden omgezet in vitaliteitssparen. Over het meerdere dient dan belasting te worden betaald.

2.1.3 Vanaf 1 januari 2013: vitaliteitssparen

Per 1 januari 2013 wordt een nieuwe spaarfaciliteit ingevoerd, het vitaliteitssparen. Vitaliteitssparen stelt deelnemers in staat fiscaal voordelig te sparen en is toegankelijk voor werknemers, ondernemers (waaronder zzp-ers) en resultaatgenieters. De regeling kent geen opnamedoelen. De stortingen in vitaliteitssparen zijn fiscaal aftrekbaar in box 1 en er wordt pas belasting geheven bij opname van het tegoed. Jaarlijks kan er maximaal € 5.000 fiscaal aftrekbaar gestort worden. Het opgebouwde, nog niet opgenomen, tegoed in vitaliteitssparen is niet belast in box 3. Het maximale fiscaal gefaciliteerd op te bouwen vermogen bedraagt in totaal € 20.000.

2.2 30% regeling

Werknemers die naar Nederland komen, kunnen onder bepaalde voorwaarden een belastingvrije vergoeding voor de extraterritoriale kosten krijgen van 30% van het loon inclusief de vergoeding. Deze zogenoemde 30%-regeling wordt vanaf 1 januari 2012 onder andere op de volgende punten aangescherpt:

schaarse specifieke deskundigheid

periode dat van de 30% regeling gebruik gemaakt kan worden

definitie van het begrip ‘ingekomen werknemer’

promovendi

Als een werknemer niet (meer) onder de 30%-regeling valt, dan kunnen wel de werkelijke extraterritoriale kosten vrij worden vergoed.

2.2.1 Schaarse specifieke deskundigheid

Om gebruik te kunnen maken van de 30%-regeling moet de werknemer die naar Nederland komt, beschikken over specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt schaars aanwezig is. Per 1 januari 2012 wordt dit ingevuld met een salarisnorm: er is sprake van een schaarse specifieke deskundigheid als de werknemer een fiscaal loon heeft van € 35.000 (exclusief de vergoeding) of meer. Voor wetenschappers geldt geen salarisnorm. Voor werknemers met een afgeronde masteropleiding die 29 jaar of jonger zijn geldt een verlaagd inkomenscriterium van € 26.605. In de meeste gevallen zal niet specifiek meer op schaarste worden getoetst. Dit gebeurt alleen nog wanneer (bijna) een gehele beroepsgroep boven de salarisnorm uitkomt.

2.2.2 Periode dat er gebruik gemaakt kan worden van de 30% regeling

Nu kan er maximaal 10 jaar gebruik gemaakt worden van de 30%-regeling. Deze periode wordt met ingang van 1 januari 2012 ingekort naar 8 jaar. Deze aanpassing geldt niet voor werknemers die voor 1 januari 2012 al gebruik maakten van de 30%-regeling. De looptijd van maximaal 8 jaar geldt dus alleen voor nieuwe gevallen.

2.2.3 Definitie ingekomen werknemer

De 30%-regeling voor werknemers die naar Nederland komen geldt vanaf 1 januari 2012 alleen voor werknemers die minstens 150 kilometer van de Nederlandse grens woonden voordat zij in Nederland gingen werken.

2.2.4 Promovendi

Buitenlanders die na hun promotie aan een Nederlandse universiteit in Nederland gaan werken, konden geen gebruik maken van de 30%-regeling doordat de periode van promoveren werd gezien als periode van verblijf in Nederland waardoor geen sprake was van een vanuit het buitenland ingekomen werknemer. Per 1 januari 2012 wordt de periode van promoveren voor de 30%- regeling niet gezien als periode van verblijf in Nederland zodat deze groep wel in aanmerking kan komen voor de 30%-regeling bij de eerste baan na promoveren.

2.2.5 Overgangsrecht

Voor ingekomen werknemers die vóór 1 januari 2012 onder de 30%-regeling vallen, geldt overgangsrecht. Er zijn 2 situaties mogelijk:

De werknemer heeft op 1 januari 2012 nog geen 5 jaar gebruikgemaakt van de 30%-regeling. Na afloop van het 5e jaar dat deze werknemer gebruik maakt van de 30%-regeling wordt getoetst of deze werknemer voldoet aan het nieuwe inkomenscriterium en aan de aangescherpte definitie van ingekomen werknemer (150 kilometercriterium). Voldoet de werknemer niet dan valt deze werknemer vanaf dat moment niet meer onder de 30%-regeling;

De werknemer heeft op 1 januari 2012 al 5 jaar gebruikgemaakt van de 30%-regeling. In dit geval wordt niet opnieuw getoetst aan de nieuwe criteria en blijft de looptijd van de 30%-regeling maximaal 10 jaar.

2.3 Bijtelling auto van de zaak

Met ingang van 1 juli 2012 worden de CO2-grenzen voor het 14%-tarief (zeer zuinig auto’s) en het 20%-tarief (zuinige auto’s) van de bijtelling auto van de zaak aangescherpt. Daarna vindt een jaarlijkse aanpassing plaats per 1 januari (vanaf 1 januari 2013).

Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km die in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 worden aangeschaft, geldt gedurende 60 maanden een 0%-tarief voor de bijtelling. Op auto’s die al voor 1 januari 2012 zijn aangeschaft en niet meer dan 50 gr/km CO2 uitstoten, is voor zover ze daar nog geen recht op hadden vanaf 1 januari 2012 het 0% tarief van toepassing tot 1 januari 2017. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km die in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 worden aangeschaft, geldt gedurende 60 maanden een 7%-tarief voor de bijtelling.

Het huidige onderscheid in CO2-grenzen voor benzine en diesel verdwijnt. De komende jaren groeien deze grenzen langzaam naar elkaar toe. Vanaf 2015 wordt er geen onderscheid meer gemaakt.

In de tabel hieronder zijn de CO2-schijfgrenzen per 1 januari 2011, per 1 januari 2012 en per 1 juli 2012 opgenomen.

Bijtelling afhankelijk van CO2-uitstoot (in gr/km)

Auto’s met een 20% of 14% bijtelling waarvan het kenteken vóór 1 juli 2012 op naam is gesteld, houden dat lagere bijtellingspercentage totdat de auto een andere eigenaar én andere gebruiker krijgt. In dat geval zal het bijtellingspercentage met ingang van 1 juli 2017 worden aangepast overeenkomstig de dan geldende normen.

Auto’s met een 20% of 14% bijteling die vanaf 1 juli 2012 op naam worden gesteld, houden dat lagere bijtellingspercentage voor een periode van 60 maanden. Die periode van 60 maanden begint op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. Aan het eind van die periode wordt bekeken of de auto tegen de dan geldende CO2-grenzen opnieuw voor een 60 maanden periode voor een verlaagd bijtellingspercentage in aanmerking komt.

2.4 Bestelauto van de zaak

Een werknemer die een bestelauto van de zaak uitsluitend zakelijk (dus: 0 kilometer privé) gebruikt, kan vanaf 1 januari 2012 gebruikmaken van de Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto. Er vindt dan geen bijtelling auto van de zaak plaats. En er hoeft geen rittenregistratie te worden bijgehouden. Dit is een nieuwe regeling naast bijvoorbeeld de bestaande mogelijkheid om met behulp van een rittenregistratie aan te tonen dat het privégebruik niet meer dan 500 km per jaar bedraagt.

2.5 Werkkostenregeling

Per 1 januari 2011 is een nieuwe regeling ingevoerd: de werkkostenregeling (WKR). De werkkostenregeling gaat vanaf 2014 definitief in de plaats komenvan de huidige regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Het is op dit moment nog niet verplicht gebruik te maken van de werkkostenregeling. Tot en met 2013 mag ieder jaar gekozen worden voor de werkkostenregeling of voor de bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Na 2013 geldt de werkkostenregeling voor alle werkgevers.

In de WKR kan, naast een aantal gerichte vrijstellingen, maximaal 1,4% van het totale fiscale loon (de vrije ruimte) worden besteed aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers. Over het bedrag boven de vrije ruimte (en afgezien van de gerichte vrijstellingen) moet de werkgever loonbelasting betalen in de vorm van een (gebruteerde) eindheffing van 80%.

De waarde van voorzieningen zoals die gelden onder de WKR zijn geïndexeerd. Voor een maaltijd in een bedrijfskantine geldt als normbedrag € 2,95 (€ 2,90) per maaltijd. Voor huisvesting en inwoning geldt als normbedrag € 5,10 (€ 5,00) per dag.

Voor meer informatie over toepassing van de werkkostenregeling zie: http://www.belastingdienst.nl/zakelijk/loonheffingen/werkkostenregeling/

2.6 Bestaande regeling vrije vergoedingen en verstrekkingen

Indien niet wordt gekozen voor de werkkostenregeling, is de bestaande regeling over vrije vergoedingen en verstrekkingen van toepassing:

2.6.1 Reiskostenvergoeding

De maximale belastingvrije vergoeding van zakelijke kilometers is € 0,19 (€ 0,19) per kilometer, ongeacht het vervoermiddel. Als een werknemer met het openbaar vervoer reist, kan de werkgever kiezen: er kan maximaal € 0,19 (€ 0,19) per kilometer belastingvrij worden vergoed, maar in plaats daarvan mogen ook de werkelijke reiskosten belastingvrij worden vergoed.

2.6.2 Maaltijden in bedrijfskantines

Voor een maaltijd in een bedrijfskantine gelden de volgende normbedragen:

2.6.3 Consumpties tijdens werktijd

De vrijgestelde vergoeding voor consumpties tijdens werktijd (maaltijden vallen hier niet onder) bedraagt maximaal € 3,25 (€ 2,75) per week of € 0,65 (€ 0,55) per dag.

2.6.4 Personeelsleningen

Er is in 2012 geen sprake van een te belasten rentevoordeel als de werknemer ten minste 2,85% (2,5%) rente betaalt over het geleende bedrag.

2.6.5 Geschenkenregeling

De werkgever mag 20% eindheffing toepassen over geschenken in natura aan een werknemer, voor zover de waarde in het economische verkeer niet meer is dan € 70 (€ 70) per kalenderjaar.

2.6.6 Fietsregeling

De werkgever kan eens per drie jaren de aanschafkosten van een fiets van de werknemer tot een bedrag van € 749 (€ 749) onbelast vergoeden als de werknemer voor woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets. De werkgever mag voor met de fiets samenhangende zaken in 2012 maximaal € 82 (€ 82) onbelast aan zijn werknemer vergoeden of verstrekken. Het maximum van € 82 per kalenderjaar geldt voor vergoedingen en verstrekkingen samen.

2.7 Vrijwilligers

Met ingang van 1 januari 2012 mogen ook algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) die aangifte vennootschapsbelasting moeten doen, gebruikmaken van de vrijwilligersregeling: onder voorwaarden hoeft er geen loonheffing betaald te worden over vergoedingen en verstrekkingen aan vrijwilligers. De inhoud van de vrijwilligersregeling verandert niet.

2.8 Kleinebanenregeling

De kleinebanenregeling wordt per 1 januari 2012 afgeschaft. De kleinebanenregeling regelde dat voor de werknemer jonger dan 23 jaar met een kleine baan geen premies werknemersverzekeringen betaald hoefde te worden en dat voor die werknemer de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet op nul werd gesteld.

3 Afdrachtvermindering loonbelasting

3.1 Afdrachtvermindering onderwijs

De afdrachtvermindering onderwijs is de verzamelnaam voor verschillende afdrachtverminderingen die gerelateerd zijn aan onderwijs. Voor elke afdrachtvermindering gelden eigen voorwaarden om ervoor in aanmerking te komen.

De 8 categorieën binnen de zijn:

de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) tot een bedrag van max. € 2.753 (€ 2.738);

assistenten in opleiding of onderzoekers in opleiding tot een bedrag van max. € 2.781 (€ 2.738);

overig promotieonderzoek tot een bedrag van max. € 2.781 (€ 2.738);

initiële opleiding in het hoger beroepsonderwijs (hbo) tot een bedrag van max. € 2.753 (€ 2.738);

scholing tot startkwalificatieniveau tot een bedrag van max. € 3.337 (€ 3.286);

leerwerktraject vmbo tot max. € 2.781 (€ 2.738);

stage in het kader van de beroepsopleidende leerweg (bol) tot een bedrag van max.€ 1.322 (€ 1.315);

procedure erkenning verworven competenties (EVC) voor een bedrag van € 334 (€ 329).

Per 1 januari 2012 is de afdrachtvermindering onderwijs uitgebreid en geldt deze ook voor werknemers die elders in de EU of EER een opleiding volgen. Deze uitbreiding geldt alleen voor:

de beroepsbegeleidende leerweg (bbl);

initiële opleiding in het hoger beroepsonderwijs (hbo);

een stage in het kader de beroepsopleidende leerweg (bol).

Het toetsloon voor 2012 is € 24.170 (€ 23.943).

3.2 Verruiming afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk

Werkgevers kunnen een afdrachtvermindering van loonbelasting krijgen voor werknemers die (gekwalificeerd) speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verrichten. Per 1 januari 2012 worden de percentages en de loongrens voor de afdrachtvermindering S&O aangepast. De afdrachtvermindering S&O bedraagt in 2012 42% van de S&O-loonsom voor zover dit loon in totaal niet meer bedraagt dan € 110.000 en 14% over de resterende S&O-loonsom. De S&O-loonsom wordt bepaald door het verwachte aantal S&O-uren te vermenigvuldigen met het gemiddelde S&O-uurloon. De S&O-afdrachtvermindering bedraagt maximaal € 14 miljoen (plafond).

Voor de toepassing van de afdrachtvermindering S&O is een S&O-verklaring van het Agentschap NL noodzakelijk. Binnen een kalenderjaar mag de werkgever voor maximaal drie perioden van minstens drie kalendermaanden en maximaal zes kalendermaanden een aanvraag indienen. Een verklaring voor een heel kalenderjaar wordt alleen onder bepaalde voorwaarden afgegeven.

3.3 Uitbreiding afdrachtvermindering zeevaart

De afdrachtvermindering zeevaart is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 uitgebreid. Vanaf deze datum geldt de afdrachtvermindering ook voor zeilschepen (Commercial Cruising Vessels) met een nationaal veiligheidscertificaat voor een onbeperkt vaargebied.

4 Schenk- en erfbelasting

4.1 Tarieven schenk- en erfbelasting

Tarieven schenk- en erfbelasting 2012

Tarieven schenk- en erfbelasting 2011

4.2 Vrijstellingen en schenkbelasting

4.3 Vrijstellingen en erfbelasting

De vrijstelling geldt ook als meer wordt verkregen dan het bedrag van de vrijstelling. Als een partner in 2012 bijvoorbeeld € 703.600 uit de nalatenschap van een erflater verkrijgt, is de vrijstelling van € 603.600 van toepassing en wordt slechts een verkrijging van € 100.000 in de heffing betrokken.

4.4 Ondernemingsvermogen

Een verkrijging van ondernemingsvermogen is tot een waarde van € 1.006.000 van de objectieve ondernemingen voor 100% vrijgesteld. Voor ondernemingen die meer waard zijn dan die € 1.006.000 (€ 1.006.000) geldt voor het meerdere verkregene een vrijstelling van 83%. Voor de belasting die dan eventueel nog is verschuldigd over het niet-vrijgstelde deel (veelal tariefgroep I tegen een tarief van 10-20%) kan 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen.

4.5 Aanpak zwart vermogen

Er is een aantal maatregelen getroffen om het ontduiken van erfbelasting over zwart geld in het buitenland te voorkomen. Een van de maatregelen is dat de termijn om erfbelasting na te vorderen over buitenlands vermogen onbeperkt is. Die maatregelen gelden vanaf 1 januari 2012.

5 Belastingen op milieugrondslag

5.1 Afvalstoffenbelasting en grondwaterbelasting

De afvalstoffenbelasting en de grondwaterbelasting worden per 1 januari 2012 afgeschaft.

5.2 Tarieven

De tarieven van de belasting op leidingwater, de kolenbelasting, de energiebelasting en de verpakkingenbelasting worden verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexering. De indexatiefactor voor 2012 is 1,7%. Er wordt geen indexering toegepast op het vaste energiebelastingtarief voor aardgas dat via een CNG-vulstation wordt afgeleverd. Dat vaste tarief wordt namelijk de komende vier jaar elk jaar verhoogd met ruim 3 eurocent per kubieke meter aardgas, te beginnen per 1 januari 2012.

5.2.1 Belasting op leidingwater

Het tarief van de leidingwaterbelasting, per kubieke meter, bedraagt:

5.2.2 Belasting op kolen

Het tarief van de kolenbelasting, per 1000 kilogram, bedraagt:

5.2.3 Energiebelasting

De tarieven voor de energiebelasting, per kubieke meter, bedragen:

* een rechtstreeks op het distributienet van aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen.

Op de energiebelasting, die aan de hand van deze tarieven is berekend, wordt vervolgens per elektriciteitsaansluiting met verblijfsfunctie (bijvoorbeeld een aansluiting in een eengezinswoning) een belastingvermindering van € 318,62 per verbruiksperiode van twaalf maanden toegepast. Voor elektriciteitsaansluitingen zonder verblijfsfunctie geldt een belastingvermindering van € 119,62.

5.2.4 Verpakkingenbelasting

De tarieven van de verpakkingenbelasting, per kilogram verpakkingsmateriaal, bedragen:

6 Autobelastingen

6.1 Tarieven BPM

De CO2-grenzen in de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) worden aangescherpt. De eerste aanscherping van de CO2-grenzen vindt per 1 juli 2012 plaats. Daarna vindt een jaarlijkse aanpassing plaats per 1 januari (vanaf 1 januari 2013). Er blijft een vrijstelling bestaan voor de meest zuinige auto’s.

Met ingang van 1 juli 2012 komt er een vierde schijf in de tariefstructuur van de BPM. Hierdoor zullen de slurpers zwaarder belast worden.

Het huidige onderscheid in CO2-grenzen voor benzine en diesel verdwijnt. De komende jaren groeien deze grenzen langzaam naar elkaar toe. Vanaf 2015 wordt er geen onderscheid meer gemaakt en gelden in de BPM voor benzine- en dieselauto’s dezelfde CO2-grenzen en CO2- tarieven.

De huidige vaste toeslag in de BPM voor dieselauto’s ter compensatie van het accijnsvoordeel dat een dieselauto geniet, wordt met ingang van 1 juli 2012 omgezet in een CO2-afhankelijke dieseltoeslag. De CO2-afhankelijke dieseltoeslag gaat uit van een tarief per gram CO2-uitstoot boven de 70 gr/km. Dit houdt in dat vanaf 1 juli 2012 voor dieselauto’s met een CO2 -uitstoot van minder dan 92 gr/km maar meer dan 70 gr/km niet langer volledige vrijstelling BPM geldt; wel vrijstelling van de basis van de BPM, geen vrijstelling van de dieseltoeslag. De volledige vrijstelling zal slechts gaan gelden voor dieselauto’s met een CO2-uitstoot van hooguit 70 gr/km.

In de onderstaande tabel zijn de tarieven van de BPM per 1 januari 2011, per 1 januari 2012 en per 1 juli 2012 opgenomen.

Tabel tarieven BPM 2011 en 2012

6.2 Aardgasauto’s

Nu worden aardgasauto’s voor de BPM nog beschouwd als een dieselauto. Met ingang van 1 juli 2012 zijn de CO2-grenzen en -tarieven voor benzineauto’s van toepassing op de aardgasauto’s. Hierdoor zal de BPM voor een aardgasauto lager gaan uitvallen. In de MRB wordt voor deze auto’s de zogenoemde LPG-toeslag van toepassing, meer specifiek de (lagere) toeslag die van toepassing is op auto’s met een zogenoemde LPG-3-installatie.

6.3 Faciliteit Euro-6 dieselpersonenauto’s

Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid om Euro-6 dieselpersonenauto’s fiscaal te stimuleren. De stimulering mag blijven bestaan totdat de Euro-6 norm verplicht wordt (per 1 september 2015). Deze stimulering houdt in dat in 2012 voor een Euro-6 dieselpersonenauto een korting op de BPM geldt van € 1000 en in 2013 van € 500.

6.4 Tarieven MRB

De tarieven van de motorrijtuigenbelasting (MRB) worden aangepast aan de inflatie. De inflatiecorrectie voor 2012 is 1,7%. Voor een gemiddelde benzinepersonenauto (1.000 kg) stijgt de MRB met € 4 per jaar. Voor de gemiddelde dieselpersonenauto (1.250 kg) stijgt de MRB met € 16 per jaar.

De MRB voor motoren wordt in 2012 met 6% verhoogd. Dit komt neer op een MRB-verhoging van € 4 per jaar. De MRB voor motoren wordt in 2013 met 12% verhoogd.

6.5 Vrijstelling zeer zuinige auto’s in MRB

De vrijstelling in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor zeer zuinige auto’s vervalt per 1 januari 2014 voor zowel nieuwe als bestaande personenauto’s. Vanaf 2014 zal de MRB hierdoor alleen nog op gewicht gebaseerd zijn. Tot 1 januari 2014 gelden de huidige CO2- grenzen voor de vrijstelling in de MRB voor zeer zuinige auto’s (benzine 110 gr/km, diesel 95 gr/km).

Personenauto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km zullen tot en met 2015 worden vrijgesteld. Deze vrijstelling is bedoeld om de ontwikkeling en aanschaf van de nieuwe generatie zeer zuinige auto’s te stimuleren.

6.6 Vrijstelling oldtimers in MRB

De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor oldtimers wordt gewijzigd. De huidige voorwaarde dat het motorrijtuig 25 jaar of ouder moet zijn wordt vervangen door de voorwaarde dat het motorrijtuig ten minste 30 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.

Voor nieuwe gevallen – dat wil zeggen motorrijtuigen die op 31 december 2011 nog geen 25 jaar oud zijn – geldt de vrijstelling daarbij niet langer voor een eventuele brandstoftoeslag. Voor motorrijtuigen die op 31 december 2011 al 25 jaar of ouder zijn blijft de huidige vrijstelling van toepassing, inclusief eventuele brandstoftoeslag.

Voor motorrijtuigen die in de jaren 1987-1990 voor het eerst in gebruik zijn genomen is er een overgangsregeling die inhoudt dat een motorrijtuig uit 1987 na 26 jaar gebruik kan maken van de nieuwe vrijstelling voor oldtimers, een motorrijtuig uit 1988 na 27 jaar, een motorrijtuig uit 1989 na 28 jaar en een motorrijtuig uit 1990 na 29 jaar.

7 Vennootschapsbelasting

7.1 Tarieven

Tarieven 2012

Tarieven 2011

7.2 Maatregelen voor goede doelen en filantropie

In 2012 wordt een aantal maatregelen geïntroduceerd om het geven aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) te stimuleren en het ondernemerschap van onder meer ANBI’s te bevorderen:

De bestaande winstgrens voor lichamen waarbij een algemeen maatschappelijk belang of sociaal belang op de voorgrond staat, wordt verhoogd van € 7.500 naar € 15.000 per jaar en gaat gelden voor alle stichtingen en verenigingen. ANBI’s die zijn aangemerkt als culturele instelling kunnen onder voorwaarden kiezen voor belastingplicht in de vennootschapsbelasting voor het totaal van hun activiteiten.

De herbestedingsreserve wordt versoepeld voor lichamen die een sociaal belang behartigen en de winst voor 70% behalen met behulp van vrijwilligers en voor ANBI’s die zijn aangemerkt als culturele instelling. Zij mogen hun winst voor belastingheffing reserveren in een bestedingsreserve. De gereserveerde winsten moeten dan binnen vijf jaar worden besteed.

De drempel voor de giftenaftrek van € 227 komt te vervallen. Verder wordt het toegestane totaalbedrag aan aftrekbare giften hoger. Het totaal aan aftrekbare giften mag in plaats van 10% nu maximaal 50% van de winst bedragen, maar moet wel onder de € 100.000 blijven.

Een gift aan een ANBI die is aangemerkt als culturele instelling kan in aanmerking worden genomen voor 1,5 keer het bedrag van de gedane gift. Deze aftrek wordt toegepast over maximaal € 5.000 van de aan culturele instellingen gedane giften. Eenmalige giften aan een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (SBBI) zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Voorbeelden van SBBIs zijn muziekverenigingen, sportverenigingen, buurthuizen, ouderenverenigingen en scoutinggroepen.

7.3 Reparatie fiscaal fondswervende instellingen regeling

Per 1 januari 2012 wordt een nadere invulling gegeven aan het begrip fondswervende activiteiten. Zo moeten de activiteiten in belangrijke mate met behulp van vrijwilligers worden verricht. Een andere essentiële voorwaarde is dat kenbaar wordt gemaakt dat de opbrengst uit de fondswervende activiteiten ten goede komt aan het algemeen nuttige doel.

7.4 Research en Development Aftrek (RDA)

De RDA moet het voor bedrijven nog aantrekkelijker maken speur- en ontwikkelingswerk (S&O) uit te voeren. De loonkosten van S&O worden reeds gefacilieerd via de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk. De RDA is gericht op het faciliëren van de niet-loonkosten en investeringen die betrekking hebben op S&O. De RDA wordt als extra aftrekpost in aanmerking genomen bij de fiscale winstbepaling. De aftrek bedraagt in 2012 40% van de door Agentschap NL vastgestelde kosten en uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan S&O dat is erkend in een S&O-verklaring.

7.5 Aftrekbeperking rente bij overnameholdings

Per 1 januari 2012 geldt een aftrekbeperking voor rente die betaald wordt op een overnameschuld. Als een Nederlands bedrijf met geleend geld wordt overgenomen, kan de rente over de overnameschuld in beginsel niet meer verrekend worden met de winst van de overgenomen vennootschap. De overnamerente blijft wel aftrekbaar tot een bedrag van € 1 mln. of als sprake is van een gezonde financiering. Dit is het geval als de overnameschuld in het jaar van overname niet meer is dan 60% van de overnameprijs. Dit percentage wordt vervolgens in 7 jaar afgebouwd, met 5% per jaar, naar 25%.

7.6 Objectvrijstelling vaste inrichting

Per 1 januari 2012 wordt een objectvrijstelling voor vaste inrichtingen (v.i.s) ingevoerd. Hierdoor zijn de winsten en verliezen van een buitenlandse v.i. niet langer van invloed op de Nederlandse belastinggrondslag. Definitieve verliezen van buitenlandse v.i.s die resteren bij staking zijn nog wel aftrekbaar. Voor winsten uit zogenoemde passieve v.i.s in laagbelastende landen geldt de objectvrijstelling niet. Hiervoor geldt een verrekeningsstelsel. Op basis van het overgangsrecht worden bestaande aanspraken en claims die aanwezig zijn bij invoering van de objectvrijstelling geëerbiedigd. Deze worden afgewikkeld overeenkomstig de bestaande systematiek.

8 Btw en accijns

8.1 Btw, vereenvoudiging bij nummerverwerving

Per 1 januari 2012 wordt er in Nederland geen btw meer geheven voor goederen die door een Nederlandse ondernemer onder zijn Nederlandse btw-identificatienummer in een andere EU- lidstaat worden verhandeld. Het moet daarbij gaan om een transactie waarbij drie partijen in drie verschillende EU-lidstaten zijn betrokken en de goederen buiten Nederland blijven. Voorheen werd er in deze situatie wel btw geheven en diende er aangifte en een apart teruggaafverzoek te worden gedaan. Door deze vereenvoudiging blijven handelaren gemakkelijker buiten de Nederlandse btw-heffing als het gaat om handel in goederen buiten Nederland.

8.2 Accijnzen

8.2.1 Alcoholaccijns

De accijns van wijn en tussenproducten blijft onveranderd ten opzichte van 2011 en bedraagt per fles van 0,75 liter:

Ook voor de accijns op bier is geen wijziging voorzien in 2012. Het accijnstarief is voor bijvoorbeeld pils, afhankelijk van de soort, € 0,245 of € 0,326 per liter.

8.2.2 Tabaksaccijns

Per 1 april 2012 vindt conform de bestaande wettelijke systematiek de jaarlijkse aanpassing plaats van de tarieven van de tabaksaccijns. Dit gebeurt op basis van de wijziging in het gemiddelde prijspeil van sigaretten en shag.

8.2.3 Accijns van minerale oliën

Het accijnstarief van LPG wordt de komende 4 jaar elk jaar verhoogd met € 0,0125 per kg, Dee eerste stap is in 2012. De accijnstarieven van andere minerale oliën worden in 2012 verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexering. De indexatiefactor voor 2012 is 1,7%.

De accijnstarieven voor de meest gebruikte brandstoffen zijn in 2012 als volgt, waarbij het tarief is vermeld per liter (alleen LPG per kg):

Voor accijnstarieven van andere producten en voor de terug te ontvangen bedragen aan accijns in verband met bepaalde verzoeken om teruggaaf wordt verwezen naar www.douane.nl

8.2.4 Vrijstelling commerciële binnenlandse vluchten

In 2012 wordt opnieuw de vrijstelling of mogelijkheid tot teruggaaf van accijns ingevoerd voor motorbrandstoffen ten behoeve van commerciële binnenlandse vluchten. Dit geldt dus niet voor de plezierluchtvaart waaronder begrepen niet commerciële zakelijke vluchten.

8.2.5 Vervallen luchtvaarttarief voor kerosine

In verband met het opnieuw invoeren van de vrijstelling of teruggaaf van accijns voor motorbrandstoffen ten behoeve van commerciële binnenlandse vluchten vervalt per 2012 het verlaagde accijnstarief voor kerosine ten behoeve van de luchtvaart. Voortaan is voor kerosine ten behoeve van binnen- en buitenlandse vluchten voor de plezierluchtvaart, waaronder begrepen niet commerciële zakelijke vluchten, het reguliere accijnstarief van € 0,43 per liter verschuldigd.

8.2.6 Teruggaaf accijns biobrandstoffen

Biobrandstoffen worden belast naar het accijnstarief van de gelijkwaardige fossiele brandstof. De biobrandstof heeft vaak een lagere energie-inhoud dan de gelijkwaardige fossiele brandstof, waardoor op 1 liter minder ver kan worden gereden. Feitelijk wordt dan te veel accijns betaald. Onder voorwaarden kan daarom vanaf 2012 voor biobrandstoffen gebruikt als motorbrandstof voor het wegverkeer een gedeeltelijke teruggaaf van accijns worden verkregen ter correctie van de lagere energie-inhoud. Deze teruggaaf kan worden gedaan door degene die de accijns is verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik (dit is de meeste gevallen de vergunninghouder accijnsgoederenplaats)

9 Overige

9.1 Assurantiebelasting, fiscaal vertegenwoordiger

In bepaalde gevallen wordt aan buiten de EU gevestigde verzekeringsmaatschappijen opnieuw de verplichting opgelegd in Nederland een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen.

9.2 Overdrachtsbelasting

9.2.1 Tijdelijke tariefsverlaging

Vooruitlopend op wetgeving is in 2011 bij beleidsbesluit geregeld dat vanaf 15 juni 2011 het tarief van de overdrachtsbelasting dat wordt geheven bij de verkrijging van woningen tijdelijk wordt verlaagd tot 2%. Per 1 januari 2012 is dit in wetgeving omgezet. De verlaging geldt tot 1 juli 2012.

9.2.2 Juridische fusiefaciliteit

Per 1 januari 2012 wordt de juridische fusiefaciliteit in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer opgenomen. Hierdoor kan voor de toepassing van de faciliteit worden volstaan met een beroep op de vrijstelling door de notaris in de notariële akte en hoeft er geen verzoek meer te worden ingediend bij het Ministerie van Financiën. De faciliteit staat ook open voor juridische fusies tussen pensioenfondsen.

9.3 Vergrijpboete na verzuimboete

Als iemand de op aangifte verschuldigde belasting te laat betaalt of als er niet of te weinig betaald wordt, kan een verzuimboete worden opgelegd. Vanaf 1 januari kan er na zo’n verzuimboete later nog een vergrijpboete worden opgelegd voor hetzelfde feit. Dit kan de Belastingdienst bijvoorbeeld doen als later nieuwe feiten bekend worden die erop wijzen dat de overtreder bewust gehandeld heeft. In totaal wordt geen hogere boete opgelegd dan opgelegd zou zijn als alle relevante feiten op een eerder moment bekend waren geweest. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de later alsnog opgelegde vergrijpboete.

9.4 Toeslagen

9.4.1 Nieuwe bedragen

De bedragen en wijzigingen in het kindgebonden budget, de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag zijn afkomstig van andere ministeries. De Belastingdienst zorgt voor de uitvoering en uitbetaling. Op www.toeslagen.nl kan voor de verschillende toeslagen een proefberekening worden gemaakt op basis van individuele gegevens.

9.4.2 Verhoging boetes toeslagen

De boetes voor misbruik en oneigenlijk gebruik van toeslagen gaan met ingang van 1 juli 2012 omhoog:

Wanneer niet, niet tijdig of onjuiste informatie wordt verstrekt, wordt de boete verhoogd van maximaal € 1.500 naar maximaal € 4.920.

Wanneer opzettelijk of grof schuldig, niet, niet tijdig of onjuiste informatie wordt verstrekt, wordt de boete verhoogd van maximaal 25% van het teruggevorderde bedrag met een bovengrens van € 5.000 naar 100% van het teruggevorderde bedrag zonder bovengrens.

Wanneer een derde (bijvoorbeeld een kinderopvanginstelling) niet, niet tijdig of onjuiste informatie verstrekt, wordt de boete verhoogd van maximaal € 1.500 naar maximaal € 4.920.

Wanneer een derde (bijvoorbeeld een kinderopvanginstelling) opzettelijk of grof schuldig, niet, niet tijdig of onjuiste informatie verstrekt, wordt het maximumbedrag van de boete verhoogd van € 5.000 naar € 19.000.

Sociale Verzekeringen per 1 januari 2012

Uitkeringen als de AOW, ANW, WW, WIA, WAO en Wajong gaan vanaf 1 januari 2012 omhoog. De verhogingen worden doorgevoerd omdat de uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Het minimumloon stijgt van 1435,20 euro naar 1446,60 euro bruto per maand. De aanpassingen zijn nodig omdat ook de lonen en de prijzen de afgelopen tijd zijn gestegen.

Bij de berekening van de uitkeringsbedragen is rekening gehouden met het wetsvoorstel Geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon (Tweede Kamerstuk 32 777 nr 2). Dit wetsvoorstel is op 13 december 2011 aangenomen in de Eerste Kamer. Hierin wordt vanaf 1 januari 2012 de dubbele algemene heffingskorting afgebouwd in het referentieminimumloon (met uitzondering van de AOW).

AOW’ers zien hun netto-uitkering met tussen de 7 en de 14 euro per maand stijgen. Hoe hoog het bedrag is, hangt af van de persoonlijke situatie. De netto-uitkering van een alleenstaande AOW’er gaat bijvoorbeeld met 11 euro omhoog naar 972,00 euro per maand. Echtparen waarvan beide partners 65 jaar of ouder zijn, krijgen in totaal netto bijna 15 euro per maand erbij. Hun gezamenlijke netto-uitkering komt dan uit op 1334,92 euro per maand. Dat is exclusief vakantietoeslag.

Per 1 juni 2011 krijgen oudere in Nederland belastingplichtigen de MKOB. Deze Mogelijke Koopkrachttegemoetkoming voor Oudere Belastingplichtigen bedraagt 33,65 euro per maand per 1 januari 2012.

De WW, WIA en WAO uitkeringen worden verhoogd met 0,79%. De absolute stijging is lastiger aan te geven omdat die nog meer dan bij de AOW afhangt van persoonlijke omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld ook van belang hoe hoog hun inkomen was voordat zij een uitkering kregen. Voor de berekening van de uitkering geldt bovendien een maximum inkomen; verdient men meer dan telt het deel boven dat maximum niet mee bij het bepalen van de uitkering. Dit zogeheten maximumdagloon wordt per 1 januari 2012 vastgesteld op 191,82 euro bruto per dag en op jaarbasis 50.065,02 euro.

Het maximum premieloon wordt per 1 januari vastgesteld op 50.064,00 euro. Per dag komt dit uit op 192,55 euro.

AOW

AOW’ers die getrouwd zijn of samenwonen hebben elk een eigen recht op een AOW-pensioen. De hoogte daarvan is gelijk aan de helft van het netto minimumloon. De AOW voor een alleenstaande bedraagt 70 procent van het netto minimumloon en dat voor een eenoudergezin 90 procent. Bij die laatste groep gaat het om pensioengerechtigden die een kind verzorgen jonger dan achttien jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen.

Voor gehuwde AOW’ers van wie de partner jonger is dan 65, gelden afwijkende regels. Normaal gesproken is het pensioen gelijk aan 50 procent van het minimumloon (de uitkering voor een gehuwde). Daarbovenop komt een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto 718,47 euro) (deze toeslag komt overigens te vervallen per 1 januari 2015). Echter, is het recht op pensioen al ingegaan voor 1 februari 1994 dan valt de AOW’er onder een overgangsregeling en is het pensioen 70 procent van het netto minimumloon. De toeslag is dan maximaal 30 procent.

De uitkeringsbedragen per 1 januari 2012 luiden als volgt: (De vakantie uitkering wordt in de maand mei beschikbaar gesteld.)

AOW-pensioen ingegaan vóór 1-2-1994

De AOW-partnertoeslag bedraagt maximaal 718,47 euro bruto per maand. Hoe hoog de toeslag precies is, hangt af van het huishoudinkomen. Als het huishoudinkomen hoger is dan 162% Bruto WML inclusief vakantiegeld dan wordt de AOW partnertoeslag met 10% verlaagd. Daarnaast wordt een deel van het inkomen van de jongere partner van de toeslag afgetrokken. Als het bruto-inkomen van de jongere partner uit arbeid hoger is dan 1294,70 euro heeft de AOW’er helemaal geen recht op toeslag (bij een inkomen in verband met arbeid (bijvoorbeeld een sociale verzekeringsuitkering) vervalt de toeslag bij 718,47 euro bruto per maand).

Hieronder een rekenvoorbeeld:

We gaan uit van een gepensioneerde zonder aanvullend pensioen en een partner met een inkomen van 1000 euro bruto per maand. De eerste 216,99 euro van het partnerinkomen is vrijgesteld. Ook een derde deel van het inkomen daarboven telt niet mee. Als de partner dus 1000 euro bruto verdient, telt de eerste 216,99 euro niet mee. Ook is een derde deel van (1000-216,99) 783,01 vrijgesteld, wat uitkomt op 261,00 euro. In totaal is dan 477,99 euro vrijgesteld. Van de toeslag wordt dus 1000-477,99 = 522,01 euro ingehouden. De toeslag bedraagt dan 718,47 522,01 = 196,46 euro.

Als het recht op toeslag voor 1 februari 1994 is ingegaan valt de rechthebbende onder een overgangsregeling en bedraagt de toeslag maximaal bruto 390,66 euro. Als de partner meer verdient dan 802,98 euro bruto vervalt de uitkering. Dat geldt ook als de partner een sociale verzekeringsuitkering krijgt die hoger is dan dat bedrag.

De bij deze bruto bedragen behorende netto-uitkeringen zijn in onderstaand overzicht weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de situatie dat betrokkenen geen aanvullend pensioen hebben.

Netto AOW gehuwden. Als beide partners boven de 65 jaar zijn, krijgen zij dus allebei de uitkering.

Netto AOW alleenstaanden

*Deze bedragen verschillen van de door de SVB gepubliceerde bedragen. De SVB hanteert exclusief de vakantietoeslag.

ANW

De Algemene nabestaandenwet (ANW) is een volksverzekering die recht geeft op een uitkering aan volwassenen van wie de partner is overleden. Het kan gaan om een huwelijkspartner of een partner met wie zij ongehuwd samenwoonden. De uitkering bedraagt maximaal 70 procent van het netto minimumloon. Nabestaanden die een kind verzorgen van 18 jaar of jonger waarvan een ouder is overleden, krijgen daarnaast een inkomensafhankelijke uitkering van 20 procent van het netto minimumloon. Ook weeskinderen komen in aanmerking voor een uitkering.

De hoogte van de ANW-uitkering is afhankelijk van het inkomen van de nabestaande. Uitkeringen worden er geheel van afgetrokken. Van inkomen uit arbeid blijft een deel buiten beschouwing (50 procent van het minimumloon plus een derde deel van het meerdere).

Nabestaanden die voor juli 1996 al een AWW-uitkering (de voorganger van de ANW) ontvingen, krijgen in ieder geval een bodemuitkering van 30 procent van het bruto-minimumloon, ook als hun inkomen hoger uitvalt dan de bovengenoemde inkomensgrens.

In onderstaand overzicht zijn de bruto ANW-bedragen opgenomen. De bedragen zijn weergegeven exclusief de tegemoetkoming ANW. Deze bedraagt bruto 15,88 euro per maand.

Wajong

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) biedt jonggehandicapten een uitkering op minimumniveau. De grondslag op basis waarvan de uitkering wordt berekend gaat per 1 januari 2012 omhoog. Ook de grondslagen voor Wajong-gerechtigden beneden de 23 jaar, die worden afgeleid van de minimumjeugdlonen, worden op die datum verhoogd.

Per 1 januari 2012 zijn dit de bruto grondslagen (exclusief vakantietoeslag) per dag:

Naast de Wajong-uitkering heeft elke Wajong-gerechtigde onder de 23 jaar recht op een tegemoetkoming. Deze compenseert (deels) de inkomensachteruitgang die de invoering van de Zorgverzekeringswet heeft veroorzaakt.

Maximumdagloon (WW, WIA en WAO)

Per 1 januari 2012 worden bestaande uitkeringen verhoogd met 0,79%. De hoogte van de WW, WIA en WAO-uitkering hangt mede af van de hoogte van het laatst verdiende loon en het zogenoemde maximumdagloon. Per 1 januari 2012 wordt het maximumdagloon verhoogd van 190,32 naar 191,82 euro bruto.

Toeslagenwet

De Toeslagenwet zorgt voor een aanvulling op een aantal uitkeringen tot het sociaal minimum. Het gaat bijvoorbeeld om de WW, WIA, WAO en ZW- uitkering. Er ontstaat recht op een toeslag als uitkeringsgerechtigde een uitkering ontvangt die lager is dan het normbedrag. De toeslag vult de uitkering aan tot het normbedrag, maar het totaal van de uitkering en toeslag samen is niet meer dan het vroegere loon.

Een toeslag op de uitkering kan worden aangevraagd bij het UWV.

De hoogte van de normbedragen per 1 januari 2012 is als volgt vastgesteld:

*exclusief vakantietoeslag

Premiepercentages per 1-1-2012

De verlaging van de Aof-premie maakt onderdeel uit van het werkgeverspakket waartoe het kabinet heeft besloten (Miljoenennota 2012, p. 72).

De verhoging van de Awf-premie wordt grotendeels verklaard door compensatie van het voordeel dat werkgevers ondervinden van afschaffing van de spaarloonregeling.

Om het koopkrachtbeeld van lage inkomens te verbeteren is besloten het maximum premieloon in de ZVW te verhogen (zie ook f) onder gelijktijdige verlaging van het premiepercentage.

De gemiddelde (lastendekkende) sectorfondspremie is 0,37%-punt hoger vastgesteld dan in 2011. De verhoging is beperkt door de verlenging van de inlooptermijn van vermogenstekorten. De gepresenteerde premie betreft een (gewogen) gemiddelde. Door bijstellingen in de loonsommen van sectoren is het gewogen gemiddelde voor 2011 inmiddels bijgesteld naar 1,84%.

Besloten is de werkgeversbijdrage kinderopvang te verhogen, zodat werkgevers vanaf 2012 zoals aanvankelijk bedoeld één derde deel van de kosten van kinderopvang dragen.

Ter verbetering van het koopkrachtbeeld van lage inkomens is besloten de premiegrens in de ZVW te verhogen onder verlaging van het premiepercentage. Deze maatregel was reeds onderdeel van het wetsvoorstel Uniformering Loonbegrip en wordt hiermee eerder ingevoerd.

belastingsplan 2012

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>